Verder naar bericht

Avocado Poems Posts

Gedicht #346

In mij, diep begraven,
ligt een land hier ver vandaan.

Een land met vlaggen en wimpels,
en voor iedereen voldoende graan.

Een land met ridders en kastelen,
jonkvrouwen en avontuur.

Ik wil het met een ieder delen
want in dat land, daar ligt mijn vuur.

Bossen en akkers, weelderig en fijn,
een boomgaard met appels
men drinkt cider, geen wijn.

Het leven is rustig, zonnig en kalm,
het brood wordt gebakken,
met het graan in zijn halm.

Het land mag gaan leven,
vredig en vrij
en dat is het mooie,
het land leeft in mij.

Laat een reactie achter

Gedicht #345

Een kan met hutspot,
grote vlokken op een warme regendag.

Drie keer dromen en het is weer voorbij.
De vaat is gedaan, de koeien staan op stal
en het licht brand in de huiskamer
waar het vuur de kamer verwarmt.

Het is winter in de zomer,
de koeien vertellen gekke verhalen,
in rook opgegaan in de lengte van de tijd.

Mag ik nog één keer spelen.
Als de wind die rondjes draait
en kriebelt achter mijn oor.

De tinteling van verlangen
in stilte helemaal los
met mijzelf en mijn verhalen.

Laat een reactie achter

Gedicht #344

Terwijl de gouden regendruppel op een kikker valt,
zit ik verscholen in het riet.

Comfortabel, in mijn element,
geborgen door de rust en simpelheid,
het water en het groen.

Zacht gekwaak tussen het geluid van regen door,
vanaf de oppervlakte zie ik de druppels vallen.

Het water stuitert op,
wordt weer teruggetrokken
en kleine golfringen ontstaan
die zich weer vermengen met de rest.

Zo mooi, zo fijn
en hoe langer ik kijk,
hoe meer het me raakt,
hoe meer ik thuis kom
in mijn echtheid van leven.

Laat een reactie achter

Gedicht #343

Troost,
in het geval van zuiverheid.

De maan keek me lachend aan vanaf boven,
terwijl ik op bed lig met al mijn knuffels om mij heen.

Het voelt veilig, geborgen, vrij,
er wordt over me gewaakt.

Ik heb nog niet de zorgen,
die ik later wel zou krijgen.

Er is nog ruimte voor speelsheid
en dat weet ik, daar op bed, voor het slapen gaan.

Dat wanneer de morgen komt,
ik weer vrij mijn bed uit kan stappen,
de wereld in,
die ik zie als één groot avontuur.

Laat een reactie achter

Gedicht #342

Ik was verdwaald in verre landen,
op de krukas van mijn eigen bestaan.

Maar de zon schijnt nu in mijn gezicht,
het gekoer van de duif,
dat voor mij als de lente voelt
en de zomerse warmte.

De bloementuin staat in bloei,
ik mag naar binnen lopen.

Dit is mijn tuin,
ik loop er doorheen en ik verwonder me.
Vrij alsof het de eerste keer is
dat ik er doorheen loop.

De eerste keer met mijn ogen open,
met aandacht en waardering.

Want dit is leven, mijn leven
en ik mag er zijn.

Dit voelt mooi.

Laat een reactie achter

Gedicht #341

Ik zit op kastelen,
hoog op de kantelen
turend over het glooiende landschap,
het groene groen van de uitgestrekte bossen.

De zon schijnt op mijn gezicht,
een rust in de ruimte van het overzicht,
Een zachtheid in het besef van mijn bestaan.

Genietend van het feit dat er geen afleiding is,
dat ik ongestoord de warmte van de zon mag voelen,
de bries door mijn haren,
zijn koelte tegen mijn huid.

Dat ik de pracht van de natuur mag ervaren
en de vlinders in mijn buik mag voelen
bij het besef en de droom
van alle avonturen die hier voor me liggen.

In dit uitgestrekte groene landschap,
met de zon op mijn gezicht.
De ruimte en de zon in mijn gevoel.

Laat een reactie achter

Gedicht 340

Je schijnt in mijn ogen
met je stralende lach.

De lente tegemoet,
lekker rollebollen in het gras.

Tevreden met onze armen achter ons hoofd,
de schapen tellen in de blauwe lucht.

Bijen zoemen ons voorbij,
van bloem naar bloem
waarvan de geur het leven zoet maakt.

Ik leef en ik geef het uit.
Ik leef maar 1 keer.

Leven mag rollen,
zalig stromen tot het niet meer kan.

Ik kijk naast me en ik geef je een kus,
want leven wil ik met jou.

Laat een reactie achter

Gedicht #339

Een roep in de kou,
door de sneeuw heen zie ik je.
Je lijkt op een sprookje,
in een witte jurk in een winterlandschap.

De sneeuw stopt en er komt rust en ruimte.
De leegte van de kou vult mijn hart
met mijn eigen warmte.

Vol bewondering kijk ik om me heen.
De zon komt op,
een klein streepje licht
in een wit betoverend landschap.

Witte glooiende bergen,
besneeuwde dennenbomen.
Hoe beter ik kijk,
hoe mooier ik het vind,
hoe blijer en beter ik me voel.

Ik ren het stille landschap in
en hoor het gekraak
van mijn eigen voetstappen in de sneeuw.

Wat dichtbij,
wat fijn.

Laat een reactie achter

Gedicht #338

En liefdevol zei ik tegen mijn kind,
wil je me aankijken?

Ik wil je leren zien,
ik wil je leren kennen.

Zodat ik je kan helpen groeien
en bloeien in wie je echt bent.

Mijn kind voelde een vertrouwen,
draaide zijn hoofd en keek me voor het eerst
echt aan.

Ja zei mijn kind,
je mag me leren zien,
je mag me leren kennen,
laten we samen groeien.

Laat een reactie achter

Gedicht #337

Speels kwam je naar buiten,
je was 10.

Je had het niet gedaan,
het was de buurvrouw.

Jij wou alleen maar spelen in de speeltuin.
Alleen zijn, je best doen om heel goed
in het klimrek te kunnen klimmen.

Dat was je wens,
niet alle serieuze zaken van de volwassenen
die zo moeilijk doen.

Waar zit de ‘swing’ in serieus zijn?
Waar zit de vrijheid in ontdekken
als je met gedachtekracht dingen
in een vorm wilt drukken?

Dat is niets voor een kind.
Een kind wil vrij zijn, een kind wil spelen,
een kind wil heel goed worden in het klimrek.

Ik wil vrij zijn,
ik wil spelen,
ik wil heel goed worden in het klimrek.

Laat een reactie achter