Verder naar bericht

Gedicht #325

Een gedicht, gezang in het duister,
opborrelend uit het diepste van de aarde
als zoete hete lava die de dag maskeert.

Het tarwe moet nog geplukt worden
als riet aan het water in het zilte maanlicht
dat de bloemen maskeert.

Wat zit er verstopt achter de sluier,
de waan die zijn gezicht niet laat zien.

Wat zit er verstopt? Is het een zwaan,
een kleurenpracht of een donkere garage
vol met stoffige dingen die doen denken
aan vervlogen tijden en vergane glorie.

Ik loop naar het kleed en trek het weg.
Ik vind daaronder een prachtige oldtimer
met de sleutels nog in het contact.

Ik ga zitten in de bestuurdersstoel,
draai de sleutel om en rijd de garage uit,
het zonlicht tegemoet.


Laat als eerste een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *